Jaren bevaren wij de wereldzeeën, ’t geeft ons leven veel plezier.
Maar wat rare gewiekste handelaren, hebben poen in ’t vizier.
Zij willen profiteren van alles wat wij doen.
En ons maar commanderen daar wringt bij ons de schoen.
Jaren bevaren wij de wereldzeeën., er komt van alles op je pad.
Jaren staren, ’t vermijden van gevaren. Soms liggen die op de loer.
Een mast die breekt, of zeilen die gaan scheuren, of problemen met het roer.
De handen uit de mouwen, de zeilen naar benee.
De mast kan weer omhoog. We kunnen weer naar zee.
Jaren varen, een borrel op de kade, want de opbrengst valt ons mee.
Er wacht een hele grote buit; zakken zilverlingen, goudstukken en ringen.
Je kijkt je ogen uit, ‘k ben overdonderd van de schat in de kajuit.
Er wacht een hele grote buit; zakken zilverlingen, goudstukken en ringen.
Je kijkt je ogen uit, ‘k ben overdonderd van de schat in de kajuit.
Jaren bevaren wij de wereldzeeën, de koers naar huis is uitgezet.
Als alles meezit, geen verlies of schade, halen we mei misschien nog net.
Ik droom al van de kade, jouw haren in de wind.
Waar wij elkaar omarmen en blij zijn als een kind.
Jaren bevaren wij de wereldzeeën, maar vandaag zijn we weer thuis.
Er wacht een hele grote buit; zakken zilverlingen, goudstukken en ringen.
Je kijkt je ogen uit, ‘k ben overdonderd van de schat in de kajuit.
Er wacht een hele grote buit; zakken zilverlingen, goudstukken en ringen.
Je kijkt je ogen uit, ‘k ben overdonderd van de schat in de kajuit.
Er wacht een hele grote buit; zakken zilverlingen, goudstukken en ringen.
Je kijkt je ogen uit, ‘k ben overdonderd van de schat in de kajuit.
