`De Koningin van het water en de wind
J.keizer/L.Keizer
Als jongen van zestien jaar, wilde ik al naar zee
Het avontuur, dat trok me aan, het leek me ’n goed idee
Het is ’n hard en zwaar bestaan en straks krijg je nog spijt
de wijze woorden van mijn Pa, doorspekt met treurigheid
gekwetst en teleurgesteld, ging ik naar ‘t havencafé
sprak daar bemanning van ’n schip, die zeiden kom met ons mee
Om vijf uur s’ morgens bij de pier, ontmoetten we elkaar
Ik had niet lang te zoeken daar, aan de kade zag ik haar
De Koningin van het water en de wind
zij die mij met haar schoonheid heeft verblind
door haar gratie en sierlijkheid wil iedereen steeds, heel dicht bij haar zijn
Ik ken geen man die haar charme kan weerstaan
als zij vertrekt, wil ik ook gaan
Daar ligt zij dan in vol ornaat, gestroomlijnd, imposant
Dat dit in werkelijkheid bestaat, ‘k ben geroerd, overmand
Het zeil als zijde om haar romp, het touw als glanzend haar
echt niemand steekt jou naar de kroon, voor jou dreigt nooit gevaar
De Koningin van het water en de wind
zij die mij met haar schoonheid heeft verblind
door haar gratie en sierlijkheid wil iedereen steeds, heel dicht bij haar zijn
Ik ken geen man die haar charme kan weerstaan
als zij vertrekt wil ik ook gaan
